Vanavond ben ik weer in Gölenkamp geweest. Ik heb herdacht terwijl ik op een van de negen bergen stond. Die bergen zijn eigenlijk heuveltjes, met jeneverbesstruiken erop en berken eromheen. Het zijn Urgeschichtliche Grabhügel, tezamen vormen zij een geschütztes Kulturdenkmal. Jaarlijks werd er temidden van deze Hügel een enorm Paasvuur gebouwd en misschien wordt dat nog steeds gedaan, hoewel ik daarvan geen sporen aantrof. Om dat Paasvuur heb ik vaak gestaan met mijn ouders, mijn broer, mijn opa en oma, vele buur-Twenten, en Duitse huisjesbezitters en boeren. Schnaps werd er dan gedronken, uit winkelwagentjes, maar ik was daar toen nog te klein voor.
Uit Almelo vertrokken om het eerste team van BV Lely aan te moedigen tegen de plaatselijke trots, besloot ik na die wedstrijd de avond te benutten voor een nostalgische fietstocht. Ik sloeg de weg in naar Uelsen, op weg naar Gölenkamp. Gölenkamp, waar ik het merendeel van de vakanties van mijn jeugd heb doorgebracht. De weg kon ik dromen. Elke bocht kende ik nog, en in Uelsen was het radiostation Wigger FM ( FM voor White Niggers in de grensstreek) een van de weinige nieuwigheden, samen met een extra Aldi. In Uelsen reed ik een rondje om de kerk, en sloeg toen linksaf de Gölenkamperweg op voor de Sparkasse langs, later rechtsaf bij de afrit Gölenkamp. Na de voormalige kruidenier gepasseerd te hebben ging ik links de Schulstraße op. Maar toen ik, na op de driesprong, eigenlijk een viersprong, rechts af te zijn geslagen de boerderij had gepasseerd, waar ik ooit van had gedroomd dat er in de voedersilo’s, om onduidelijke geopolitieke redenen op ons huisje gerichte, kruisraketten verborgen waren, toen ik na die boerderij links afsloeg, toen zag ik ons huisje niet. Waar ooit ons huisje had gestaan aan het einde van An den Neegenbergen, stond nu een reusachtig asymmetrisch bouwsel, niet erg mooi, maar ook niet echt lelijk. Het verdwenen huisje had iets raars omdat er verder in de omgeving heel erg weinig veranderd was. Naar het oosten en het noorden stonden aan de horizon een twaalftal reusachtige windmolens. Maar verder leek alles nog net zo als toen. Zelfs de hoek van ongeveer tien graden, tussen de voortuin en de achtertuin was behouden gebleven. Ook waren alle buurhuisjes er nog.
Ik fietste het vierkantje, waarvan een van de zijden An den Neegenbergen was, dat ik vroeger hardlopend aflegde. De andere drie zijden leken ook weinig veranderd, alleen waren de varkens, garkens zoals ik die op jonge leeftijd moet hebben genoemd, vervangen door kalveren. En er groeide een bos aan het begin van An den Neegenbergen, waar ooit reusachtige honden achter een veel te laag hek stonden. Weer aangekomen op de plek waar ooit het huisje stond, bleek ook de nummering veranderd. Het perceel had nummer 91. Waarschijnlijk was tegenwoordig heel Gölenkamp doorgenummerd. Ik fietste naar het hek dat de schapen binnen het gebied van de Negen Bergen moest houden, klom over dit hek en ging zitten op de meest oostelijke van de negen bergen, omdat daarop nog de meeste avondzon viel. Ik staarde naar de plek waar ooit ons huisje stond, en probeerde bomen te ontdekken, die de verbouwing van huis en tuin overleefd zouden kunnen hebben. Twee bomen leken zo groot, dat ze wel moesten stammen uit het tijdperk van het huisje, het tijdperk van voor das HAUS.
De avondzon verloor zijn kracht, ik kreeg het koud en opdat ik de trein terug naar Amsterdam zou kunnen halen reeds om halfacht, een half uur eerder dan gebruikelijk, stond ik op en terwijl in het oosten een buizerd zweefde, hield ik mijn twee minuten stilte.
Maar in mijn hoofd raasde een storm. Nou heb ik dat elke vierde mei, ik voel dan een vreselijke woede tegen diegenen die mensen onderdrukken, volkerenmoord plegen en dat soort dingen doen of gedaan hebben. Als mijn boosheid enigszins bedaard is zijn de twee minuten vaak al enige tijd voorbij. Maar deze keer werd de storm aangewakkerd door weemoed. Ik dacht aan hoe ik met mijn opa probeerde het dovende Paasvuur weer aan te wakkeren, door eerst zacht en dan harder te blazen op een plek waar de houtskool nog gloeide. Denkend aan mijn opa dacht ik aan zijn vriend David Koker, die de oorlog niet overleefd heeft, denkend aan hem dacht ik aan de kampen, dacht ik aan de opstand van Warschau, en toen dacht ik aan het Partizanenlied van Hirsh Glik, waarvan ik ooit heb geprobeerd de tekst te leren. Na de twee minuten stilte, zong ik tussen de blatende schapen, uit halfvolle borst de woorden die ik me kon herinneren van dat lied, aangevuld met geïmproviseerde klanken. Hieronder staat de tekst niet zoals ik hem gezongen heb, maar zoals hij volgens mij zou hebben moeten klinken, als ik een beter geheugen zou hebben.
Zog nit keynmol az du geyst dem letstn veg,
Khotsh himeln blayene farshtein bloye teg.
Kumen vet nokh undzer oysgebenkte sho -
S'vet a poyk ton undzer trot - mir zaynen do!
Fun grinem palmenland biz vaysn land fun shney,
Mir kumen on mit undzer payn, mit undzer vey,
Un vu gefain s'iz a shprits fun undzer blut,
Shprotsn vet dort undzer gvure, undzer mut.
S'vet di morgnzun bagildn undz dem haynt,
Un der nekhtn vet farshvindn mitn faynd,
Nor oyb farzamen vet di zun in dem kayor -
Vi a parol zol geyn dos lid fun dor tsu dor.
Dos lid geshribn iz mit blut un nit mit blay,
S'iz not keyn lidl fun a foygl af der fray,
Dos hot a fold tsvishn faindike vent
Dos lid gezungen mit naganes in di hent!
To zog nit keynmol az du geyst dem letstn veg,
Khotsh kimlen blayene farshtein bloye teg,
Kumen vet nokh undzer oysgebenkte sho -
S'vet a poyk ton undzer trot - mir zaynen do!
De schapen waren nog een paar seconden stil nadat ik uitgezongen was. Ik liep terug naar mijn fiets en reed de weg terug naar Almelo, over Tubbergen. In een bocht bij Tubbergen leken de beuken om het standbeeld van Schaepman te branden in de avondzon, en toen ik de stadsgrens van Almelo passeerde sprong er een licht eerst op rood op en toen ook nog eens op groen. Het zijn toch de kleine dingen die ‘t hem moeten doen. Ik leverde mijn huurfiets in en nam de IC terug naar Amsterdam-Zuid-WTC. Daar aangekomen herhaalde ik nog eenmaal: Kumen vet nokh undzer oysgebenkte sho -S'vet a poyk ton undzer trot - mir zaynen do!, en fietste moe maar voldaan naar huis. Thuis aangekomen moest ik in mijn stemmingsdagboek aantekenen of ik mij deze dag meer depressief of meer manisch had gevoeld. Ik vulde een 0 in, dat betekent, dat begrijpt u wel, noch manisch, noch depressief. Of dat waar is, weet ik niet, maar sinds enige tijd voel ik mij angstaanjagend gelukkig. En ‘s nachts slaap ik in plaats van te waken, en wacht ik op een droom die mij het raadsel zal onthullen om mij nog gelukkiger te maken. Het raadsel van het schoolbord en de strijd. Van de letters en van de vrouw. Maar tot dat moment ben ik domweg gelukkig in de Blankenstraat. En gaan wij moedig voorwaarts.