donderdag 4 december 2008

Naast de schoorsteen (vervolg)




Maar op een donderdagmorgen in maart stortte M’s wereldorde in. Toen hij op zijn werkplek aankwam, stonden daar rond wat rokende resten enige brandweerlieden te kletsen. M’s arbeidsplek was afgebrand en George was met al zijn zonen verdwenen, zonder enig spoor achter te laten. M. staarde enige minuten naar het troostloze tafereel, begon een praatje met een van de brandweerlieden en nadat die hem verteld had dat de brand aangestoken was, en wel op dertien verschillende plaatsen, besloot M. naar huis te gaan, en zich op de ontstane situatie te bezinnen.

Hij had jarenlang al zijn muntgeld opgespaard, veertien schoenendozen vol, twee gevuld met rijksdaalders, drie met guldens, vijf met kwartjes, en nog vier met dubbeltjes en stuivers. Daar kon hij van leven, maar niet lang. Hij deed een greep in de doos met rijksdaalders, en met beide broekzakken vol daalders ging hij naar de slijter, en kocht daar twee flessen 51, cinquante et un, die hij op zijn zolderkamer teruggekeerd, in een rustig tempo, maar onverdund, soldaat maakte. Af en toe nam hij tussen de glazen een Hartog-boterham met sardines uit blik, en hij raakte in een merkwaardige roes, die versterkt werd door de steeds maar weer herhaalde, en random geshuffelde cd met de grootste successen van Jacques Brel erop.

Zo kwam het dat na dit eenzaam drankgelag, of beter een allenige drinksessie, want eenzaam was M. niet, het gezelschap van Jacques was hem zeer dierbaar, zo kwam het dat M. aan het eind van de tweede fles plotseling een tweede gast in zijn kamer bemerkte. Een aanwezigheid veel tastbaarder dan Jacques, gezeten op de stoel voor het raam, waarop M. vaak zijn ontbijt gebruikte. Even dacht hij dat dit een soort stenen gast was, zoals je die wel tegen komt in sommige opera’s.

‘Ik ben je beschermengel, als je wilt noem mij dan maar Ibrahim, dat maakt de conversatie makkelijker’, sprak de gestalte. M. staarde hem enige tellen ongelovig aan, en antwoordde toen, met een dubbele tong van de 51, ‘Wat kom je hier doen, Ibrahabahim, als ik je trouwens je mag noemen of moeten Engelen ge-uwd worden of hoe dat in het Nederlands ook moge heten, verd…, sorry engel, force of habit, zal het niet meer doen, maar wat komt u hier doen, hier op deze zolderkamer, of houdt u soms van Sjakie Brel?’

De gestalte draaide zich een kwartslag, zodat M. zijn vleugels goed kon zien. ‘Ik kom je voor het eerst waarschuwen en meteen ook voor het laatst, het moet afgelopen zijn met dat gedrink van je, anders ga je eraan!’. M. opende zijn mond om nog wat te zeggen maar reeds was de Engel gevlogen.

M. was weer alleen,of eigenlijk weer getweeën, het sneeuwde in Luik, de flessen waren leeg, en buiten hoorde M. een heel vroege, of een heel erg late scholekster te-pietend overvliegen.

Nou, aan duidelijkheid laat het weinig te wensen over, dacht M, en hij viel in de rusteloze slaap van iemand die op dezelfde dag zijn baan en zijn beste vriend verloren had, en bovendien twee flessen 51 door zijn lever moest loodsen.

M. ontwaakte twee uren later, met een vreselijke dorst, en wederom sneeuwde het in Luik. Hij zette zijn cd-speler uit en dacht automatisch aan the hair of the dog that bit him, toen hem de ontmoeting met zijn Engel weer voor de geest kwam. ‘Geen drank’, mompelde hij, ‘geen drank, nee nooit meer, geen druppel’, en hij nam een slok van een lauwe fles cola die reeds lang al zijn prik verloren was. Trillend, maar van zijn drooggelegde lot diep doordrongen, ging hij weer liggen.

dinsdag 12 augustus 2008

Georgia on their mind

Ik bewoon op dit moment een week lang een huis met een televisie en kabelaansluiting. Op die televisie kijk ik afwisselend naar pokertoernooien, en naar CNN en de BBC, om het gepoker in de Kaukasus te volgen. Naar Nederlandse televisie kijk ik niet omdat het risico om of J.P. of Mart te treffen te groot is. Gisterenavond zapte ik per ongeluk langs een tafel waar beiden aan waren geschoven, en heb in uitstekend gezelschap, samen met een topjuriste van naam, enige tijd mijn hoofd tegen de muur geslagen. Enige dagen eerder had ik onze J.P. letterlijk horen zeggen dat de doodstraf verbeterd was in China. Op dat moment brak er in Europa een oorlog uit, maar ja, daar in Beijing was J.P. de Chinezen een lesje aan het leren over mensenrechten, 'Als we het hebben over mensenrechten, dan kan het toch niet zo zijn dat...'

Geen Mart of J.P. dus meer voor mij, maar CNN en BBC, en hun verslag van een vreselijk spannend potje poker over de ruggen van 70.000 Zuid-Osseten. Of hoeveel er nog van over zijn. CNN spreekt van een nieuwe Koude Oorlog, en diplomaten van beide landen beschuldigen elkaar van genocide. Naast het begrip ethnic cleansing heb jij nu ook electoral cleansing, een Zimbabwaanse specialiteit. Omdat allerlei analysten denken dat Moskou er op uit is om een ander regime te krijgen in Tblisi zou je voor deze vorm van oorlog de term democratisch pokeren kunnen gebruiken. Waarbij helaas de Amerikanen, door onder andere onze J.P. gesteund, de regels van het spel ernstig hebben opgerekt. Als Poetin terugkomt met de redeneringen die de Amerikanen zelf hebben gebruikt bij het niet respecteren van andermans soevereiniteit in de afgelopen jaren heeft hij helaas in het huidige internationale poker een redelijk sterk punt. Of je speelt het spel met, of je speelt het spel zonder de soevereiniteitsregel, niet de ene keer met en de volgende keer zonder.

Misschien dat Nederlandse bewindslieden de volgende keer als ze hele kromme dingen recht lullen, met onzinpraatjes die het laffe Nederlandse parlement na enig aandringen accepteert, dat ze de volgende keer in ieder geval beseffen dat ze daardoor indirect goedkeuring geven aan een verandering van de regels van de internationale rechtsorde, met alle gevolgen van dien. Een ding hoop ik van harte, dat onze ministers en ons parlement, tot de oorlog in Zuidoost-Europa vreedzaam ten einde is gebracht, de Spelen relativeren, en gaan slapen niet met gouden medailles, maar met Georgië in hun gedachten. In tegenstelling tot J.P. en de zijnen weet ik namelijk wel voor wie de bel luidt.

woensdag 11 juni 2008

De eerste zin voorbij (een inleiding)


Naast de schoorsteen

M. woonde op kamers en werkte in de haven. En omdat in ons land geen vulkanen zijn, woonde M naast een schoorsteen. Een enorme bakstenen schoorsteen van de plaatselijke fabriek. Als M. niet werkte, dan dronk hij. M. nam dat drinken, net als zijn werk erg serieus. Zijn zolderkamer was gevuld met lege flessen, literflessen, waar goedkope Albert Heijn-wijn in gezeten had. Het waren er honderden, allemaal vakkundig leeggedronken, de meeste door M., en een paar door zijn vrienden. Het liefst dronk M. alleen, maar soms waren er vrienden die meedronken. ‘Some drink to remember, some drink to forget’, zei M. dan en opende steeds weer een nieuwe fles, tot die vrienden vertrokken en dan dronk hij weer alleen.

’s Morgens vertrok hij naar de haven, aan de andere kant van de stad, waar hij productiewerk verrichtte voor een firma met de welluidende naam George and Sons /Tropical IMports and EXports. De eerste uren waren vaak wat zwaar, maar omdat hij vrijelijk mocht drinken uit de imports als hij het maar aankruiste op het daar voor bestemde Consumed Beverages-formulier, werd het werk gedurende de dag steeds dragelijker. ’s Morgens dronk hij ginger ale, wat zijn kater wegnam, en ’s middags Heavy Duty, een onduidelijke drab, in halve literblikjes, die smaakte naar het zoete zweet van subtropische vrouwen, gemengd met rum. Dit drinken zorgde ervoor dat als de werkdag er weer op zat M. altijd met een goed humeur naar huis fietste en ook dat M. elke vrijdag wat minder geld kreeg dan waarop hij had gehoopt.

‘s Zaterdags was M vrij en schreef hij aan zijn meesterwerk. Hij had in vijf jaar tijd precies één zin geschreven, maar hij hield zichzelf en ook eventuele anderen voor dat de openingszin het belangrijkst is, en dat is natuurlijk ook zo, maar uitgevers willen graag na die ene zin nog wat pagina’s om het werk wat volume te geven, en dus werkte M elke zaterdag aan een vervolg op die zin. Maar alles wat volgde op de openingszin stond in de schaduw van die zin, en gedurende de zaterdag verdorde alles wat hij schreef in die schaduw, en aan het eind van de dag wierp M. dan alles weg, alles behalve die zin, die eenzaam achterbleef, en een week later probeerde M dan weer om er een passend vervolg op te schrijven, en elke week verdween dat vervolg weer in de prullenbak.

Aan zijn ouders schreef hij lange brieven, die hij eerst in een envelop stopte, en overvloedig frankeerde voordat hij ze verscheurde, en in diezelfde prullenbak gooide als waar zijn andere Zaterdagse schrijfselen in eindigden. Zondags klom hij dan, nog voor het ochtendgloren, met op zijn rug in een kleine rugzak de prullenbak, uit zijn zolderraam, liep via de dakgoot naar een punt van het dak, waar vandaan hij met een kleine sprong de roestige treden bereikte van een ladder die hem bracht tot net onder de top van de schoorsteen, waar hij onder het mompelen van ‘Ashes to ashes, dust to dust’, de prullenbak leegde. Dan klom hij naar beneden, sprong terug het dak op, wurmde zich door het dakraam, en bereidde op een driepits gasstel gebakken eieren met spek, tomaat en tabasco, die hij legde op oude Hartog-boterhammen, en staand voor het open raam, wegspoelde met mokken sterke koffie, uit een Italiaans pruttelpotje, dat hij na vijf jaren trouwe dienst van de oude George cadeau had gekregen.

Zo werkte M, zo dronk en zo schreef hij, enige jaren achtereen, tot zijn niet al te grote ontevredenheid. De schoorsteen rookte, George en zijn zonen zorgden voor de nodige import en export, de huur werd betaald, en af en toe kreeg M. een stuk lasagna van zijn hospita.

woensdag 7 mei 2008

Terug naar Gölenkamp


Vanavond ben ik weer in Gölenkamp geweest. Ik heb herdacht terwijl ik op een van de negen bergen stond. Die bergen zijn eigenlijk heuveltjes, met jeneverbesstruiken erop en berken eromheen. Het zijn Urgeschichtliche Grabhügel, tezamen vormen zij een geschütztes Kulturdenkmal. Jaarlijks werd er temidden van deze Hügel een enorm Paasvuur gebouwd en misschien wordt dat nog steeds gedaan, hoewel ik daarvan geen sporen aantrof. Om dat Paasvuur heb ik vaak gestaan met mijn ouders, mijn broer, mijn opa en oma, vele buur-Twenten, en Duitse huisjesbezitters en boeren. Schnaps werd er dan gedronken, uit winkelwagentjes, maar ik was daar toen nog te klein voor.

Uit Almelo vertrokken om het eerste team van BV Lely aan te moedigen tegen de plaatselijke trots, besloot ik na die wedstrijd de avond te benutten voor een nostalgische fietstocht. Ik sloeg de weg in naar Uelsen, op weg naar Gölenkamp. Gölenkamp, waar ik het merendeel van de vakanties van mijn jeugd heb doorgebracht. De weg kon ik dromen. Elke bocht kende ik nog, en in Uelsen was het radiostation Wigger FM ( FM voor White Niggers in de grensstreek) een van de weinige nieuwigheden, samen met een extra Aldi. In Uelsen reed ik een rondje om de kerk, en sloeg toen linksaf de Gölenkamperweg op voor de Sparkasse langs, later rechtsaf bij de afrit Gölenkamp. Na de voormalige kruidenier gepasseerd te hebben ging ik links de Schulstraße op. Maar toen ik, na op de driesprong, eigenlijk een viersprong, rechts af te zijn geslagen de boerderij had gepasseerd, waar ik ooit van had gedroomd dat er in de voedersilo’s, om onduidelijke geopolitieke redenen op ons huisje gerichte, kruisraketten verborgen waren, toen ik na die boerderij links afsloeg, toen zag ik ons huisje niet. Waar ooit ons huisje had gestaan aan het einde van An den Neegenbergen, stond nu een reusachtig asymmetrisch bouwsel, niet erg mooi, maar ook niet echt lelijk. Het verdwenen huisje had iets raars omdat er verder in de omgeving heel erg weinig veranderd was. Naar het oosten en het noorden stonden aan de horizon een twaalftal reusachtige windmolens. Maar verder leek alles nog net zo als toen. Zelfs de hoek van ongeveer tien graden, tussen de voortuin en de achtertuin was behouden gebleven. Ook waren alle buurhuisjes er nog.

Ik fietste het vierkantje, waarvan een van de zijden An den Neegenbergen was, dat ik vroeger hardlopend aflegde. De andere drie zijden leken ook weinig veranderd, alleen waren de varkens, garkens zoals ik die op jonge leeftijd moet hebben genoemd, vervangen door kalveren. En er groeide een bos aan het begin van An den Neegenbergen, waar ooit reusachtige honden achter een veel te laag hek stonden. Weer aangekomen op de plek waar ooit het huisje stond, bleek ook de nummering veranderd. Het perceel had nummer 91. Waarschijnlijk was tegenwoordig heel Gölenkamp doorgenummerd. Ik fietste naar het hek dat de schapen binnen het gebied van de Negen Bergen moest houden, klom over dit hek en ging zitten op de meest oostelijke van de negen bergen, omdat daarop nog de meeste avondzon viel. Ik staarde naar de plek waar ooit ons huisje stond, en probeerde bomen te ontdekken, die de verbouwing van huis en tuin overleefd zouden kunnen hebben. Twee bomen leken zo groot, dat ze wel moesten stammen uit het tijdperk van het huisje, het tijdperk van voor das HAUS.

De avondzon verloor zijn kracht, ik kreeg het koud en opdat ik de trein terug naar Amsterdam zou kunnen halen reeds om halfacht, een half uur eerder dan gebruikelijk, stond ik op en terwijl in het oosten een buizerd zweefde, hield ik mijn twee minuten stilte.

Maar in mijn hoofd raasde een storm. Nou heb ik dat elke vierde mei, ik voel dan een vreselijke woede tegen diegenen die mensen onderdrukken, volkerenmoord plegen en dat soort dingen doen of gedaan hebben. Als mijn boosheid enigszins bedaard is zijn de twee minuten vaak al enige tijd voorbij. Maar deze keer werd de storm aangewakkerd door weemoed. Ik dacht aan hoe ik met mijn opa probeerde het dovende Paasvuur weer aan te wakkeren, door eerst zacht en dan harder te blazen op een plek waar de houtskool nog gloeide. Denkend aan mijn opa dacht ik aan zijn vriend David Koker, die de oorlog niet overleefd heeft, denkend aan hem dacht ik aan de kampen, dacht ik aan de opstand van Warschau, en toen dacht ik aan het Partizanenlied van Hirsh Glik, waarvan ik ooit heb geprobeerd de tekst te leren. Na de twee minuten stilte, zong ik tussen de blatende schapen, uit halfvolle borst de woorden die ik me kon herinneren van dat lied, aangevuld met geïmproviseerde klanken. Hieronder staat de tekst niet zoals ik hem gezongen heb, maar zoals hij volgens mij zou hebben moeten klinken, als ik een beter geheugen zou hebben.

Zog nit keynmol az du geyst dem letstn veg,
Khotsh himeln blayene farshtein bloye teg.
Kumen vet nokh undzer oysgebenkte sho -
S'vet a poyk ton undzer trot - mir zaynen do!

Fun grinem palmenland biz vaysn land fun shney,
Mir kumen on mit undzer payn, mit undzer vey,
Un vu gefain s'iz a shprits fun undzer blut,
Shprotsn vet dort undzer gvure, undzer mut.

S'vet di morgnzun bagildn undz dem haynt,
Un der nekhtn vet farshvindn mitn faynd,
Nor oyb farzamen vet di zun in dem kayor -
Vi a parol zol geyn dos lid fun dor tsu dor.

Dos lid geshribn iz mit blut un nit mit blay,
S'iz not keyn lidl fun a foygl af der fray,
Dos hot a fold tsvishn faindike vent
Dos lid gezungen mit naganes in di hent!

To zog nit keynmol az du geyst dem letstn veg,
Khotsh kimlen blayene farshtein bloye teg,
Kumen vet nokh undzer oysgebenkte sho -
S'vet a poyk ton undzer trot - mir zaynen do!

De schapen waren nog een paar seconden stil nadat ik uitgezongen was. Ik liep terug naar mijn fiets en reed de weg terug naar Almelo, over Tubbergen. In een bocht bij Tubbergen leken de beuken om het standbeeld van Schaepman te branden in de avondzon, en toen ik de stadsgrens van Almelo passeerde sprong er een licht eerst op rood op en toen ook nog eens op groen. Het zijn toch de kleine dingen die ‘t hem moeten doen. Ik leverde mijn huurfiets in en nam de IC terug naar Amsterdam-Zuid-WTC. Daar aangekomen herhaalde ik nog eenmaal: Kumen vet nokh undzer oysgebenkte sho -S'vet a poyk ton undzer trot - mir zaynen do!, en fietste moe maar voldaan naar huis. Thuis aangekomen moest ik in mijn stemmingsdagboek aantekenen of ik mij deze dag meer depressief of meer manisch had gevoeld. Ik vulde een 0 in, dat betekent, dat begrijpt u wel, noch manisch, noch depressief. Of dat waar is, weet ik niet, maar sinds enige tijd voel ik mij angstaanjagend gelukkig. En ‘s nachts slaap ik in plaats van te waken, en wacht ik op een droom die mij het raadsel zal onthullen om mij nog gelukkiger te maken. Het raadsel van het schoolbord en de strijd. Van de letters en van de vrouw. Maar tot dat moment ben ik domweg gelukkig in de Blankenstraat. En gaan wij moedig voorwaarts.

dinsdag 1 april 2008

Afbouwen






Sinds anderhalf jaar slik ik medicijnen om mijn stemmingen te controleren. De pillen heten Mirtazapine, en met mijn humeur gaat het, sinds ik die slik, heel redelijk. Nu wil ik mijn medicatie op den duur afbouwen. Ik wil namelijk niet de rest van mijn leven pillen slikken. Daar wil ik op den duur van af. Ik vraag wel eens aan mijn arts hoe dat zou moeten, maar een echt antwoord heb ik nooit gehad. Een week geleden heb ik voor dat afbouwen een plan gedroomd, eigenlijk was het meer een formule dan een plan, of beter nog een formule voor een plan. Het ging als volgt.

Ik droomde dat ik een klaslokaal binnen ging, en voor het bord stond een indrukwekkende gestalte, ik vermoed dat het mijn Aartsengel was, maar zeker weten doe ik het niet. En op het bord schreef hij langzaam in hoekige letters: MIRTAZAPINE = VROUW + BEWEGING. En ik dacht, ja dat lijkt mij een goed idee, in plaats van pillen, een vrouw. En of met haar, of zonder haar, wat lichaamsbeweging. Dat maakt die pillen snel genoeg overbodig.

Maar ik had het mis, en hij wist wat ik dacht, zwaaide vermanend met zijn wijsvinger, en schreef onder de formule: MIRTAZAPINE = Naam van een vrouw + een politieke beweging. Hij schreef eigenlijk iets anders, namelijk de naam van een vrouw en de naam van een politieke beweging, maar om redenen van discretie houdt ik de naam van het meisje, en de naam van die beweging geheim. Het is toch voorbestemd, dus als één van de twee waarheid wordt (mij kennende eerder de politieke beweging dan het meisje), dan kunnen de lezers de ander uit de formule destilleren.

Het rare is dat ik toen ik wakker werd niet alleen de naam, maar ook de gehele ideologie van die beweging kende. Maar of die vrouw slechts muze zou zijn, of ook tegelijk mijn vrouw, dat wist ik niet. In de volgende nachten is er op die vraag ook geen duidelijkantwoord gekomen. Dus wacht ik nog maar even af. Het partijprogamma is klaar, en ik ben dat eigenlijk ook. Toch wacht ik, hopend op een nog iets meer verhelderende droom. Hoe lang ik nu weer af ga wachten, ik weet het niet, maar als er geen duidelijke droom komt, dan zal ik waarschijnlijk eerst maar met die beweging beginnen. Op hoop van zegen, en zonder het meisje. En voorlopig nog met een half tablet Mirtazapine, weggespoeld met een ruime hoeveelheid water.

maandag 24 maart 2008

Fitna het woordspel


Fitna

Zoek de hoofdrolspelers en themawoorden in de volgende zinnen verborgen?


Bibi, sla mij toch, zei ik tegen de Israelische leider.

Dat's kras, cismelodieën daar houd ik zo van.

Dat hij zo laf at, waardeerde Balkenende enorm.

Wie kent de huizenopkoper die Funda ment, al is tegelijk de vraag, wie niet?

Het duurde lang, eer 't wild er schappelijk bijhing, te besterven.

Verschalkte de rob alken en deed hij dat uit nood of gewoonte?

'T lover dat zwak ruist, och, 't lover dat nazomerlijk pluist.

Vanavond de belangrijke derby R.A.P. - V.V.S.B.

Succes!









vrijdag 7 maart 2008

Een eeuw en een dag


Een eeuw en een dag geleden werd mijn Oma Tram geboren. Mijn Oma's werden onderscheidden door het vervoermiddel waar ze mee arriveerden in Slotervaart, bij onze flat, Oma Auto en Oma Tram. Oma Tram kwam met de tram en stamde uit het jaar 1908. Zij was van degelijke makelij, en had de klassieke talen nog onderwezen gekregen in die talen zelf. Tot hoge leeftijd fietste ze in een moordend tempo over de zandpaden van de Hooge en Laage Vuursche. Ze excuseerde zich dan tegen mij voor haar lage tempo. Terwijl ik al blij was net bij haar in het wiel te kunnen blijven plakken. Ze is nu bijna tien jaar dood, maar ik moest aan haar denken, tijdens het lezen van de Radetzkymars van Joseph Roth. Toen de troonpretendent vermoord werd in Sarajevo, was zij zes, toen keizer Franz Joseph stierf in 1916, was zij al acht, en toen de Eerste Wereldoorlog afliep al tien jaren oud. Nu Balkenende en Wilders Nederland een grote rol willen toe bedelen op het strijdtoneel van de Eenentwintigste eeuw, is zij gelukkig al bijna tien jaar dood.