Maar op een donderdagmorgen in maart stortte M’s wereldorde in. Toen hij op zijn werkplek aankwam, stonden daar rond wat rokende resten enige brandweerlieden te kletsen. M’s arbeidsplek was afgebrand en George was met al zijn zonen verdwenen, zonder enig spoor achter te laten. M. staarde enige minuten naar het troostloze tafereel, begon een praatje met een van de brandweerlieden en nadat die hem verteld had dat de brand aangestoken was, en wel op dertien verschillende plaatsen, besloot M. naar huis te gaan, en zich op de ontstane situatie te bezinnen.
Hij had jarenlang al zijn muntgeld opgespaard, veertien schoenendozen vol, twee gevuld met rijksdaalders, drie met guldens, vijf met kwartjes, en nog vier met dubbeltjes en stuivers. Daar kon hij van leven, maar niet lang. Hij deed een greep in de doos met rijksdaalders, en met beide broekzakken vol daalders ging hij naar de slijter, en kocht daar twee flessen 51, cinquante et un, die hij op zijn zolderkamer teruggekeerd, in een rustig tempo, maar onverdund, soldaat maakte. Af en toe nam hij tussen de glazen een Hartog-boterham met sardines uit blik, en hij raakte in een merkwaardige roes, die versterkt werd door de steeds maar weer herhaalde, en random geshuffelde cd met de grootste successen van Jacques Brel erop.
Zo kwam het dat na dit eenzaam drankgelag, of beter een allenige drinksessie, want eenzaam was M. niet, het gezelschap van Jacques was hem zeer dierbaar, zo kwam het dat M. aan het eind van de tweede fles plotseling een tweede gast in zijn kamer bemerkte. Een aanwezigheid veel tastbaarder dan Jacques, gezeten op de stoel voor het raam, waarop M. vaak zijn ontbijt gebruikte. Even dacht hij dat dit een soort stenen gast was, zoals je die wel tegen komt in sommige opera’s.
‘Ik ben je beschermengel, als je wilt noem mij dan maar Ibrahim, dat maakt de conversatie makkelijker’, sprak de gestalte. M. staarde hem enige tellen ongelovig aan, en antwoordde toen, met een dubbele tong van de 51, ‘Wat kom je hier doen, Ibrahabahim, als ik je trouwens je mag noemen of moeten Engelen ge-uwd worden of hoe dat in het Nederlands ook moge heten, verd…, sorry engel, force of habit, zal het niet meer doen, maar wat komt u hier doen, hier op deze zolderkamer, of houdt u soms van Sjakie Brel?’
De gestalte draaide zich een kwartslag, zodat M. zijn vleugels goed kon zien. ‘Ik kom je voor het eerst waarschuwen en meteen ook voor het laatst, het moet afgelopen zijn met dat gedrink van je, anders ga je eraan!’. M. opende zijn mond om nog wat te zeggen maar reeds was de Engel gevlogen.
M. was weer alleen,of eigenlijk weer getweeën, het sneeuwde in Luik, de flessen waren leeg, en buiten hoorde M. een heel vroege, of een heel erg late scholekster te-pietend overvliegen.
Nou, aan duidelijkheid laat het weinig te wensen over, dacht M, en hij viel in de rusteloze slaap van iemand die op dezelfde dag zijn baan en zijn beste vriend verloren had, en bovendien twee flessen 51 door zijn lever moest loodsen.
M. ontwaakte twee uren later, met een vreselijke dorst, en wederom sneeuwde het in Luik. Hij zette zijn cd-speler uit en dacht automatisch aan the hair of the dog that bit him, toen hem de ontmoeting met zijn Engel weer voor de geest kwam. ‘Geen drank’, mompelde hij, ‘geen drank, nee nooit meer, geen druppel’, en hij nam een slok van een lauwe fles cola die reeds lang al zijn prik verloren was. Trillend, maar van zijn drooggelegde lot diep doordrongen, ging hij weer liggen.




